Nieuw is de gedachte niet, maar het kwam deze week nadrukkelijker in de publiciteit dan tot dusverre. PvdA-Kamerlid Lea Bouwmeester kondigde aan dat ze samen met haar fractiegenoot Pierre Heijnen een wetsvoorstel gaat indienen om de lobbytransparantie te vergroten. Iedere conceptwet zou voortaan een paragraaf moeten bevatten die beschrijft welke bedrijven en organisaties invloed op deze wet hebben uitgeoefend.
De geheimzinnigheid voorbij
Laat ik maar meteen stelling betrekken: ik vind de gedachte achter het plan van Bouwmeester prima. Van oudsher hangt er een zweem van mystiek rondom public affairs. Dat is misschien al wat minder dan in het verleden, maar de associatie met achterkamertjes en gefluister tijdens recepties is er nog steeds. Daar moeten we nu maar eens echt van af. Lobbyen behoort tot het normale maatschappelijke verkeer, en als lobbyisten hebben we geen enkele reden om ons te schamen of geheimzinnig over ons werk te doen.
Public affairs is het laatste decennium aan het uitgroeien tot een volwaardig en gerespecteerd vak. Steeds meer organisaties bedrijven dat vak op een professionele manier, we hebben een groeiende en bloeiende beroepsvereniging, er gebeurt veel op opleidings- en onderwijsgebied en vanaf 2013 hebben we zelfs een eigen leerstoel.
Ambtenaren luisteren naar samenleving
Maak dus inderdaad maar inzichtelijk met welke bedrijven en organisaties departementen contact hebben gehad bij de totstandkoming van nieuw beleid. Dat heeft nog een aardig neveneffect, ook al is dat misschien niet zo bedoeld door Bouwmeester cum suis: het laat zien dat ambtenaren een wetsvoorstel niet in splendid isolation op papier zetten, maar serieus luisteren naar geluiden uit de samenleving. Het is aan hen (en uiteindelijk aan de minister en de staatssecretaris) om alle informatie te wegen en keuzes te maken.
Het bezwaar van Kamerlid Ger Koopmans (CDA) tegen het PvdA-initiatief (‘het is niet van belang wie invloed op een wet uitoefent, want de minister besluit’) vind ik geen hout snijden. Natuurlijk besluit de minister, maar wat is erop tegen om te weten door wie of wat hij/zij zich laat leiden? Sterker nog: heeft de burger daar niet gewoon recht op? Dat sluit naadloos aan bij de grondgedachte achter de Wet Openbaarheid van Bestuur.
Definitiediscussie
Maar er kleven wel een paar fikse minpunten aan het voorstel. In de eerste plaats krijg je een definitiediscussie: wanneer is lobbyen lobbyen? Valt alleen een gesprek met het ministerie binnen de reikwijdte van de definitie of geldt dat ook voor brieven, mails, telefoontjes en (al dan niet toevallige) ontmoetingen? Is een belangenbehartiger die in het weekend langs het sportveld of in de supermarkt een ambtenaar tegen het lijf loopt wel of niet aan het lobbyen?
Rompslomp
Ten tweede betekent invoering van een transparantieparagraaf onherroepelijk een enorme rompslomp; voor ambtenaren, maar wellicht ook voor lobbyisten. Elk wetsvoorstel genereert immers input van tientallen, soms wel honderden belangenbehartigers. Het vastleggen van al die input is een gigantisch karwei.
Europese consultatie
Kan het een onsje eenvoudiger? Ja, als Den Haag zijn oor te luisteren legt in Brussel. De Europese Commissie hanteert bij de ontwikkeling van beleid zogeheten consultatierondes. Daarbij krijgen alle betrokken partijen de gelegenheid om aan te geven wat ze van een voorstel vinden. Vervolgens worden alle adviezen op een openbare site gepubliceerd. Transparantie in optima forma, op een behapbare manier georganiseerd.
Experimenteren
Verder is een wet nogal een stevig middel om de beoogde transparantie af te dwingen. Mijn suggestie: wijd er een passage aan in het nieuwe regeerakkoord en ga eerst eens een jaar op één beleidsterrein experimenteren met zo’n lobbyparagraaf. VWS ligt voor de hand, met het oog op de alcohol- en tabakslobby, die door de PvdA met argusogen wordt gevolgd.
Professionalisering public affairs
Maar hoofdzaak is dat meer transparantie bijdraagt aan de verdere volwassenwording van het vakgebied public affairs. We hebben de afgelopen jaren betekenisvolle stappen gezet, maar we zijn er nog niet helemaal. Dat wordt al voldoende onderstreept door de woordkeus van dezelfde Lea Bouwmeester bij de toelichting op haar initiatief: ‘Een product aanprijzen – lobbyen – mag, maar dan wel openbaar’. Ik wil haar graag eens persoonlijk vertellen dat lobbyen echt van een andere orde is dan een product aanprijzen. En als ik haar toch spreek, zal ik haar ook een vraag stellen: gaat ze ook de contacten tussen lobbyisten en Kamerleden in het wetsvoorstel regelen?
Jacques Bettelheim is director Public Affairs bij Fleishman-Hillard Amsterdam